Isa Donna

donderdag, januari 26, 2006

Mijn zwangerschap




Onderstaande columns heb ik geschreven tijdens mijn zwangerschap voor Ouders Online.

Oerkrachten

Een zwangerschap lijkt je steeds meer terug te brengen tot een oermens, een beestje bijna dat alleen nog maar leeft op instict. Ik duik de laatste maanden helemaal in mezelf. Kon ik me voorheen vreselijk opwinden over misstanden in de wereld, belachelijke politieke beslissingen of honger in Afrika, nu telt alleen nog maar de gezondheid van het kleine meisje in mijn buik, de veiligheid van het ledikantje, of ik de uitzetlijst al compleet heb.

Ik bèn ook alleen nog maar een zwanger ding. Log waggel ik door het huis, een tochtje naar de supermarkt om de hoek is een grote onderneming en even naar de bovenverdieping moet ik echt plannen, want dat lukt me ook niet vaker dan twee keer per dag. Als ik iets op de grond laat vallen, wacht ik met oprapen tot er nog minstens drie dingen zijn gevallen, of tot er iemand thuis komt die het voor me kan oprapen. Op straat wordt er alleen nog maar teder naar me gelachen. Ik ben de toekomst. Ik ben belangrijk. En niemand neemt me meer serieus (helaas terecht).

Twee weken voor de uitgerekende datum krijg ik opeens een enorme aanval van paniek. Ik ga huilen bij het idee dat het kamertje nog niet helemaal in orde is (de kleertjes liggen nog niet op maat gesorteerd). Vanwege zwangerschapsvergiftiging mag ik niets meer doen, dus vanaf de bank dirigeer ik Max, die goedmoedig de hydrofiele luiers voor me strijkt en de spuugdoekjes op drie verschillende manieren opvouwt tot het naar mijn zin is. Als hij net is begonnen aan het grote “ruim-de-slaapkamer-op-want-wat-moet-de-kraamphulp-anders-wel-niet-denken-“ project kom ik naar binnen gewaggeld met de mededeling dat ik geloof dat ik denk dat ik het idee heb dat er een klein kansje is dat die regelmatige krampen van vandaag wel eens zouden kunnen betekenen dat de bevalling heel binnenkort gaat beginnen. Max kijkt me onthutst aan temidden van stapels en stapels boeken en concludeert dat het nog niet kan omdat hij nog niet klaar is. Dus met weeën en al sorteer ik nog een stapeltje Pratchetts’ en werp gedreven door de krampen met veel venijn eindelijk al die suffe Grishams in de vuilnisbak.

De puber is in grote staat van opwinding geraakt. Met blocnote en stopwatch volgt hij me door het huis, noteert de tijden van de weeën, rekent in één moeite door de gemiddelden uit en houdt ondertussen telefonisch zijn vriendenkring gedetailleerd op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Ik ben nog niet zo overtuigd, bel mijn moeder en zus met de stompzinnige vraag “hoe voelen weeën” en uiteindelijk met dezelfde vraag het ziekenhuis, die me langs laten komen. Aan de ctg is te zien dat de weeën inderdaad zijn begonnen, maar de artsen vinden me nog veel te ontspannen en lacherig. Ik zie er niet uit als iemand die binnen een paar uur gaat bevallen, dus ik mag kiezen of ik daar wil blijven, of weer naar huis. Naar huis natuurlijk. Max en ik krijgen allebei een slaappil mee.

Thuisgekomen warm ik een bak spaghetti op, spuug het weer uit en twee uur later zitten we weer in de taxi op weg naar het ziekenhuis. De puber vertrekt naar oma om de hoek. Met tranen in zijn ogen drukt hij me nog snel een mascotte in mijn hand “ik kon zo snel niks anders vinden” fluistert hij terwijl hij me omhelst. Dit keer zie ik er wèl uit alsof ik aan het bevallen ben, want ik de lange gang naar de lift wensen diverse mensen me succes als ik weer eens vloekend probeer een wee weg te trappelen.

Het is volle maan en dus enorm druk op de verlosafdeling. Ik word in de laatste beschikbare kamer aan de meetapparatuur gehangen en daarna min of meer aan mijn lot overgelaten. Max ziet me steeds meer een beestje worden. Grommend, trappelend en ijsberend (die draden van de ctg heb ik er gelijk uitgetrokken omdat ik bewegingsvrijheid wil) weet ik de weeën redelijk op te vangen. Een half uurtje onder de douche, maar als ik dreig flauw te vallen moet ik weer snel in mijn bed gaan liggen. Het begint nu toch wel erg tegen te vallen. Ik weet dat ik tot zestig moet tellen, bij de veertig zit de top van de wee en daarna wordt het minder en heb ik een paar minuten tijd om weer op adem te komen en mezelf voor te bereiden op de volgende wee. Maar steeds vaker haal ik de veertig niet eens voordat er alweer een nieuwe wee begint. Ik weet dat je moet rekenen op gemiddeld tien uur ontsluiting, maar als dit zo nog een uur doorgaat hou ik het niet meer vol. Ik probeer mijn paniek over te brengen, maar ze vinden dat ik het allemaal zo goed doe. WAT doe ik dan goed, roep ik wanhopig. Je blijft zo rustig en beheerst. Aha, dus als ik hysterisch zou doen, krijg ik wèl die verdoving? Om het uit te testen zet ik het om een gillen en jammeren en dat heeft effect, want de gynaecoloog zegt toe dat ze gaat kijken naar de mogelijkheid voor een verdoving. Nog een half uurtje dan ben ik terug zegt ze. Dat hou ik niet vol zeg ik. Je zult wel moeten zegt ze ijskoud. Max praat me letterlijk door het volgende uur heen, als dank knijp ik zijn vingers hartstochtelijk fijn. Hij heeft het nooit toegegeven, maar ik vermoed dat hij na de bevalling nog langs de EHBO is gelopen om te kijken of hij geen gebroken vingers heeft.

Na ruim een uur komt de gynaecoloog weer binnen, zeer trots met de verlossende mededeling dat ik eindelijk een verdoving mag maar dat interessert me niet meer. Ik heb Max net de gang op gestuurd om heel hard HELP te roepen, want de persweeën zijn begonnen. De co-assistente lacht wat ongelovig, dat kan nooit in zo’n korte tijd, dus wegpuffen maar. Een onmogelijke taak, ik wist niet dat ik kon brullen als een tijger, maar het gebeurt me nu als ik probeer die indrukwekkende oerkrachten tegen te houden. Terecht, want er is volledige ontsluiting en ik mag gaan persen. De rest is een waas, mijn lichaam neemt het volledig over. Ik weet alleen nog dat ik een aantal keren bezorgd vraag “gebeurt er wel wat” tot Max geërgerd zegt “bemoei je er niet mee ik zie het hoofdje al.” Ik kom pas weer bij zinnen als een kleine tien minuten later een glibberig warm wezentje op mijn buik wordt gelegd. Dan pas merk ik dat ik al die tijd een klein geel plastic pokémon-poppetje in mijn hand geklemd heb gehouden. De mascotte die ik van de puber heb gekregen.

De wereld staat stil. Haar ogen staan open en draaien alle kanten op. Het cliché blijkt alweer waar: mijn zelfmedelijden en pijn zijn verdwenen en het enige wat ik nog zie is dat kleine meisje, dat opeens zoveel moet meemaken en die ik nu voor altijd voor al het leed in de wereld zal beschermen, met heel mijn hart, mijn ziel, mijn leven. Het is vaderdag, 15 juni 2003. De wereld zal nooit meer dezelfde zijn. Onze dochter, Isa Donna is geboren compleet met appelwangetjes, een driftig huiltje en een gezichtje om nu al harstochtelijk veel van te houden.

De legende van het onsnapte schoonmoedertje

Dat verhaal van mijn schoonmoeder heeft nog een staartje gekregen. Bij wijze van revalidatie was ze verhuisd naar een andere kliniek. Een verzorgingstehuis met een revalidatie-afdeling heette het te zijn. Toen ik haar gewapend met een bosje tulpen ging opzoeken, sloeg de treurige geur van te lang gekookte bloemkool me al bij de ingang op mijn gemoed. Foute boel. Op de gang werd ik herhaaldelijk vastgepakt door ouwetjes die dachten dat ik hun verloren dochter was. “Ben jij jij?” vroeg er eentje hoopvol. “Nee, ik ben ik” heb ik naar waarheid geantwoord, maar ik vond het wel sneu.

Ik trof mijn grootmoeder in een droevige zitkamer tussen tachtig murmelende mensjes die zo te zien Juliana als koningin steeds in alles trouw waren gebleven. Wat een heerlijk opwekkende omgeving voor een geslaagde revalidatie! Er waren op het moment geen andere revalidisten, dus mijn schoonmoeder was de enige die ze alle tien nog stevig op een rijtje had en daar kon de verpleging maar slecht aan wennen. Ze bleef zich dapper voorhouden dat het maar voor een paar weekjes was, maar toen ze ’s avonds een rietje bij haar pap kreeg aangeboden kon ze alleen nog maar in tranen uitbarsten. Net op dat moment kwam mijn schoonzusje binnen, die geen moment aarzelde en haar mee naar huis nam. “Mijn moeder gaat naar huis” sprak ze tegen een verpleegster in de eetzaal. Direct gingen alle tachtig ouwetjes opeens kaarsrecht zitten luisteren. De legende van mijn schoonmoeder zal daar nog lang rondwaren denk ik; het gerucht van een geslaagde onsnapping.

Mijn schoonmoeder zit dolgelukkig weer thuis en giechelt samen met me over de wanstaltige positiemode. Je kunt kiezen tussen kijk-mij-eens-zijig-op-die-roze-wolk onoverkomelijk truttige bloemtjes jurkjes, of ik-ben-zwanger-dus-het-boeit-me-allemaal-niet meer vormloos en lompe jute zakken. En dan hebben we het over het ondergoed nog niet eens gehad. Het lijkt wel of die ontwerpers denken “nou die is toch al zwanger dus daar hoeft geen vent meer bij te komen”. Toegegeven, die enorme borsten maken veel goed, maar ik denk toch niet dat mijn huwelijk is bestand tegen zo’n onderbroek tot onder mijn oksels.
Mijn eerste “hé wat leuk, wanneer komt de kleine?” heb ik binnen. Zomaar van iemand in de lift en ik stak niet eens mijn buik extra vooruit. Max vond het een gewaagde opmerking, ik zou ook nog gewoon zomaar een beetje te dik kunnen zijn, maar ik ben heel trots. Vanaf nu ben ik óók voor de buitenwereld een echte zwangere vrouw. Het maakt dat ik me belangrijk voel. Mensen, aandacht graag, jullie moeten mij koesteren want ik draag de toekomst!

Tien vingertjes, tien teentjes

In Amsterdam zit een man met de zeer toepasselijke naam Drs. Papa, die je kan vertellen of je jurkjes of voetbalschoenen moet gaan kopen. In de wachtkamer hangen zeker duizend geboortekaartjes, die we voor de inspiratie allemaal lezen. “tja ik krijg er toch maar een paar per dag” zegt Papa bescheiden, maar als je al jaren in de business zit dan loopt het toch wel vol. Prima behang natuurlijk, al die toekomstige ouders zoeken zich suf tussen die namen. Ik vond zowaar drie “Rovers”. Max dacht dat die mensen kaartjes voor hun honden hadden laten maken, maar volgens mij wegen die minder bij de geboorte.

Toen mochten we naar binnen bij Papa. We hebben uitgerekend dat die arme man gemiddeld 30 blije zwangere stellen per dag ontvangt, en dan steeds hetzelfde opgewekte –voor hem totaal oninteressante- praatje op moet hangen. ’t Lijkt me een zwaar vak, pretechoër. Toen Max iets zei over de klok die daar stond (en toevallig is ontworpen door een vriend van ons), leefde Papa helemaal op. Eíndelijk mocht ie praten over iets anders dan die klere-babies! En toen ging de truukendoos van Papa eindelijk open. Dat echo-ding zat nog geen seconde op mijn buik, Max en ik zochten nog naar het beeldscherm, en Papa annonceerde al dat ons een dochter te wachten staat. Verbijsterend, maar waarschijnlijk is dat nog zijn enige lolletje in het vak, om het zo snel mogelijk te raden. Later liet hij het wat beter zien, maar toen kreeg ik vrij snel de preutse neiging om te roepen “zeg, zit eens niet zo in het kruis van mijn dochter te staren, viezerik!”

Toen kregen we nog een kleine rondleiding naar onze dochter, in de vaste zinssnedes die zo’n man zich natuurlijk heeft aangemeten. “Jullie kind heeft nieren”, “jullie kind drinkt”, “jullie kind heeft een mooie ruggegraat” en een wat beteuterd “jullie kind heeft zich omgedraaid” toen hij nog eens het wipneusje wou laten zien. Tien vingertjes, tien teentjes, wat wil je nog meer. “Zo groot is jullie kind nu ongeveer” sprak hij en hield een onooglijk babypopje omhoog , niet groter dan zijn hand. Onweerstaanbaar reikten mijn handen ernaartoe. “mag ik ‘m even vasthouden?” vroeg ik kleintjes, en terwijl Papa en Max nog wat doorleuterden over de techniek van de foto’s en de klok, koesterde ik dat stukje roze plastic in de kommetjes van mijn handen en kon het maar node afstaan toen we weg moesten.

Een dochter dus, ik heb nog geen jurkjes gekocht maar wel al verlangend gekeken naar die zo vreselijk truttige maar ook zo vreselijk snoeperige lakschoentjes, waar die kleintjes dan zo koddig mee kunnen stampvoeten als ze kwaad zijn. Vandaag op het strand constateerde Max dat wantjes aan touwtjes de schattigheidsfactor van kleine meisjes verdubbelen, dus die staan in ieder geval op het lijstje. Straks even mijn ouders bellen dat ze mijn oude poppenhuis vast van zolder halen.

Intermezzo - leven en dood

Vannacht droomde ik dat ik in het ziekenhuis op een kraamafdeling was. Een hele grote zaal waar allemaal vrouwen aan het bevallen waren onder felle lampen. En nadat ik dat zo'n tijdje had aangekeken, ben ik naar de zuster gestapt en heb gevraagd waar de abortusafdeling was en of ik daar direct terecht kon. Humor wel, voor een droom. Uiteindelijk praatte mijn schoonmoeder me om en besloot ik toch te bevallen.

Ik heb een schat van een schoonmoeder. Ze stuurde me tijdens de misselijkheidsperiode regelmatig een mooie bos bloemen of een lief mailtje. Een pittig roodharig mensje, dat in haar tijd nog betrokken was bij de oprichting van de Rutgersstichting. Tot grote gêne van Max kan ik met haar schaamteloos mijn sexleven bespreken.

Haar telefoontje op die vroege zondagmorgen gaat niet over haar sexleven. Ze had twee dagen daarvoor een etentje gehad, en genoot zo van de gezelligheid dat ze de stemming niet had willen bederven toen haar rechterarm opeens dienst weigerde. Met links wist ze haar eten naar binnen te werken, en iedereen had wat teveel gedronken dus dat ze met dubbele tong sprak viel niemand op. Thuisgekomen werd ze toch behoorlijk beroerd, maar de tocht naar de huiskamer- waar de telefoon stond- kostte haar twee dagen. Ze woont om de hoek, dus binnen vijf minuten zijn we bij haar, om haar op te rapen en wat te drinken te geven. Ze heeft twee dagen treurig naar het lege waterglas naast haar bed gestaard. In het ziekenhuis blijkt natuurlijk dat ze een beroerte heeft gehad en onder de hoede van zeer zorgzame en immens lieve verpleegsters laten we haar na een lange dag achter. Die nacht, als we naast elkaar in bed niet kunnen slapen, voel ik een kleine, nieuwe beweging in mijn buik. Het stelt me gerust, dit kindje is vast van plan om met twéé oma’s op te groeien. Mijn schoonmoeder zal hier doorheen komen, dat weet ik opeens zeker.

In de komende dagen leren we enorm veel over hersenen. Toen mijn tante een herseninfarct had, kreeg ze daarna constant de slappe lach en vertienvoudigde haar gevoel voor humor. Dat heeft te maken met de hersenhelft. Je kunt ook onbedwingbaar moeten huilen. Dat is de overbuurman van mijn schoonmoeder overkomen. Het beeld van die imposante Surinaamse reus die zit te huilen zal ik nooit meer kwijtraken. Duidelijk gewend aan gezag en authoriteit, zit hij waardig in zijn bed. Maar steeds als een familielid binnenkomt –en dat gebeurt vaak- barst hij onvermijdelijk in tranen uit. Zijn vrouw dept geduldig zijn ogen met een zakdoekje. Zoveel verdriet, zoveel shock. Dat is wat je vooral tegenkomt op de “stroke-unit”. In één klap is het leven van voorheen kerngezonde mensen verwoest en moeten ze zich instellen op een nieuwe toekomst. Het contrast met dat leventje in mijn buik, dat alle beloftes nog in zich draagt is enorm groot.

Geboorte en dood liggen angstwekkend dicht bij elkaar. Zo vaak hoor je iemand die juist tijdens een zwangerschap, en dierbare verliest. Alsof de ene plek maakt voor de ander. Mijn tante stierf een paar weken vóór de geboorte van mijn nichtje. Ik geloof graag dat ze elkaar nog hebben ontmoet, daar ergens in die tussenwereld. Mijn nichtje is een levende herinnering aan mijn tante, die zelfs op haar sterfbed nog zoveel humor had. “Ik ben er nog hoor”, zei ze als ik haar bezorgd bekeek omdat ze zo doodstil in bed lag, “ik ben vast aan het oefenen in stilliggen.” Samen met haar lachtte ik opgelucht. Maar van binnen wou ik net zo onbeschaamd huilen als die Surinaamse reus tegenover mijn schoonmoeder.

Die zalige onvermijdelijke truttigheid

Eindelijk mag ik me officiëel gaan verheugen, die enge dertien weken zijn voorbij! ’t Buitelaartje kan volgens de boekjes nog niet horen, maar Max denkt dat wij een voorlijke hebben, dus het belletje gaat om mijn nek. Het eerste item in de lange rij prenatale geldklopperij waar ik een dankbaar slachtoffer van ben. Bij mijn eerste zwangerschap heb ik enthousiast elk zwangeren-formuliertje ingevuld dat ik in mijn vingers kon krijgen, dus word ik nu overstelpt door aanbiedingen over opgewekte dozen en gratis teddybeertjes bij aankoop van een volautomatische luieremmer die de uitwerpselen van je kroost reukdicht transformeert in een plastic worst. (Zo’n worst kun je dan geloof ik weer geinig hergebruiken om van die leuke speelgoedbeestjes te vouwen, zoals goochelaars dat altijd doen met ballonnen.)

Met een kritische blik bekijken we ook het huis. Zijn we eigenlijk wel baby-bestendig? Eens in het half jaar lenen we het zoontje van vrienden. Een klein bonkje sloopdrift dat nergens bang voor is behalve voor de heks uit Sneeuwitje. Normaal krijgt hij een speciaal traject langs alle kapotte spullen voor de WA-verzekering, maar deze keer willen we alleen maar weten of hij hier overleeft. Behalve een crash in de stapel lege flessen (grote biggeltranen van de schrik) en natte schoenen (er schijnt een kikker in de vijver te wonen) lijkt het redelijk veilig. Max begint vertederende vormen van nesteldrang te vertonen en verschuift alle meubels in de huiskamer met de zeer verrassende uitkomst dat we nu onvermijdelijk die muziekboxen aan moeten schaffen waar hij al zo lang zijn zinnen op heeft gezet. Een briljante strategie, die hij twee maanden later zal herhalen voor een dvd-speler.

En ik, ik laat alle schaamte varen en wentel me in de heerlijke truttigheid van de roze wolk. Ik borduur schattig geschubde randjes aan luiertruitjes, brei snoeperige vestjes en betast urenlang alle rompertjes bij de HEMA. Van mijn moeder krijg ik een paar piepkleine hemdjes van antroposofische wol en van een bevriende hooligan een Ajax-badjasje. Een paar dagen hang ik ze trots in de huiskamer aan hun mini-hangertjes. Als ik ze op een dag steels meeneem naar boven, word ik door Max betrapt. “Wat ga je daarmee doen?” vraagt hij. Ik heb het fatsoen om een beetje rood aan te lopen. “drie keer opvouwen en dan in de la van de commode leggen” zeg ik heel zachtjes en verlegen. Max knikt toegeeflijk. Hij heeft zich er al bij neergelegd dat een mooi boxkleed me voortaan meer zal bekoren dan een concert van Portishead. Voor mij niet meer een Viva mee uit de kiosk, maar een Ouders van Nu.
Het zal wel wennen...

In innige omhelzing met de w.c.-pot

Net als het magazine van Ouders Online heb ik een tijdje op non-actief gestaan. Ik heb mijn best gedaan, maar de vrije momenten die ik niet met mijn hoofd in de w.c.-pot door hoefde te brengen de afgelopen maanden, waren te schaars om iets redelijks op scherm te krijgen. “De w.c.-pot?” spreekt u verheugd. Inderdaad, ik ben weer zwanger! De test sloeg deze keer al dagen voor de beruchte d-day vreselijk positief uit. Dat betekent dat ik veel hcg heb zegt de dokter, en dat verkleint de kansen op een miskraam. Dat het ook de kansen op misselijkheid vergroot heeft ze vergeten te vertellen.

Etenswaar heeft twee smaken, weet ik tegenwoordig, de smaak die je proeft als je het opeet (dat noem ik de intrinsieke smaak), en de smaak die het heeft gekregen na een verblijf van een paar uur in je maag (de post-peristaltische smaak). Die tweede blijkt eigenlijk veel belangrijker. Heel zoet en heel zuur doen het ‘t beste, alles wat een beetje wazig smaakt wordt post-peristaltische een drama. Ik denk niet dat ik ooit nog kaas, kwark of macaroni kan eten.

Heel genant ontwikkel ik een stereotypische drang naar augurken. Ik voel me wel wat beschaamd als ik voor de ijskast staande -de deur nog open omdat ik in mijn gretigheid niet de tijd neem die te sluiten- achter elkaar de inhoud van een hele pot naar binnen schrok. “Wil jij nog iets om uit te kotsen?” vraagt Max elke avond rond etenstijd. Dan krijg ik een schoteltje met een klontje aardappelpuree, een plakje vlees en een schepje spinazie. Met een taartvorkje, anders heb ik het zo snel op. Een uur later ligt het weer in de w.c., maar in ieder geval heb ik het gevoel dat ik wat heb gegeten. En als troost maakt Max het extra leuk op, met een takje peterselie of een olijf erbij.

Met zeven weken mag ik even spieken in mijn buik. Als troost, omdat ik zo misselijk ben. Op het scherm een wazig vlekje en een angstig gebrek aan een knipperend hartje. De arts is me al aan het inroosteren voor een curretage als mijn grapjasje opeens van achter het dooierzakje opduikt. Met verstoppertje spelen kan je niet vroeg genoeg beginnen, heeft het gedacht. Heb ik weer, een embryo met gevoel voor humor.

En misschien wel door dat kleine vertoon van karakter zit ik toch een beetje op die roze wolk. Ik kan niet eten, ik kan nauwelijks lopen omdat ik geen energie meer heb, en mijn huisarts dreigt steeds met een ziekenhuisopname, maar ik voel me toch heel bijzonder. Door die misselijkheid ben ik me er elke minuut van bewust dat er een leven groeit in mijn buik. Nu lijkt dat leventje misschien nog het meeste op een wentelteefje van Eschers, maar over 15 jaar is dat boontje een puber met een eigen wil en idealen, en over 25 jaar verandert het misschien de wereld.

De kat is niet meer van me af te slaan sinds ik zwanger ben. Normaal niet zo knuffelig, nu wil hij alleen nog maar op mijn buik liggen. Zo breng ik de dagen door in bed, de kat spinnend op mijn buik, denkend aan het wonder dat zich aan het voltrekken is, vol verwachting over de toekomst. Wat word je voor mens? Welke interesses heb je, welke passies? Ben je lief of lastig, brutaal of verlegen, impulsief of bedachtzaam, een tobber of een optimist?

Bij de tweede echo, met twaalf weken, raak ik definitief verliefd. Haarscherp verschijnt er een heus piepklein mensje op het scherm, een mensje met een mondje en een neusje en een snoeperig buikje. Een mensje dat druk aan het bewegen is, zelfs complete salto’s maakt. “Het is zich aan het uitsloven” zegt de echografe, maar Max en ik weten beter. Het is ons aan het geruststellen. Eén voor één steekt het alle handjes en voetjes in de lucht (“kijk, deze zit er aan, en hier heb ik ook nog iets!”) met als finale een driedubbele salto. Met het fotootje in mijn hand geklemd loop ik –nee zwééf ik - als in een droom naar huis. En vanaf dat moment weet ik het al: de rest van mijn leven zal ik van dat kleine, buitelende wezentje onvoorwaardelijk en met al mijn hartstocht houden, en zal ik alles doen om het te beschermen. Voor het eerst wacht ik overal met oversteken totdat het stoplicht groen is geworden. Ik heb vanaf nu verantwoordelijkheden, het moederschap is vandaag begonnen.

Broekloeren

Het handige van zwanger zijn is dat je zo vaak naar de w.c. kunt als je wilt. Als je je even verveelt ga je gewoon eens dat kleine kamertje bekijken, er is altijd wel ergens een plasje dat er graag uit wil. Een mooi excuus dus om steeds te checken hoe het met de bloeddruppels in mijn slipje zit. De neiging om elke minuut gewoon in het openbaar even mijn rokje op te tillen om het slipje te bekijken kan ik nauwelijks onderdrukken. “Broekloeren” heet dat op het forum, en het is zo erg dat ik er speciaal een rok voor aandoe, zodat het makkelijk loert. Niet tot mijn tevredenheid trouwens, de bloeddruppels druppelen lafhartig door, dag na dag, maandverbandje na inlegkruisje.

Ik word heen en weer gegooid tussen hoop en vrees. De verloskundige zegt dat het altijd nog een kans van 50% is dat het goed zit. Max vindt me zo ontzettend zwanger overkomen dat hij niet gelooft dat het fout kan zitten. En ik? Ik huil al als er iemand naar me wijst. “Waar blijft die roze wolk?” jammer ik “er was mij een roze wolk beloofd, ik EIS mijn roze wolk, ik heb er recht op! Ik wil gelukzalig voor me uit dromen op een schommelstoel, terwijl ik mini-sokjes zit te breien of afwezig piepkleine broekjes opvouw. Ik wil me druk maken over de kleur van de babykamer, niet over de kleur van mijn inlegkruisje!”

Ik kan geen zwangere vrouw of baby meer zien. Ik wéét dat ik stilsta, ik wil dat het over is. Dan kan ik weer verder met de volgende ronde. Dit gaat nergens meer op uitlopen, ik wéét het. Ik heb nog alle verschijnselen, ik ben niet in de race, maar ik ben niet meer zwanger; ik wéét het! Dus is het bijna een opluchting als ik op een ochtend wakker word en merk dat mijn borsten weer normaal voelen, die test is niet eens meer nodig, ik doe hem voor Max. Hardstikke negatief. Ik kan eindelijk weer verder.

Een miskraam dus. Een groot dramatisch woord voor iets dat als in een soort manische droom aan me voorbij is gegaan. Misschien was dat ook wel de les. Dat je je helemaal lijp kunt plassen over staafjes; dat je nog zoveel boeken, nieuwsgroepen en internetsites kunt lezen; maar dat de natuur uiteindelijk zelf beslist. Ik heb geprobeerd mezelf zwanger te testen, zwanger te lezen en zwanger te redeneren, maar zo werkt het blijkbaar niet. Keihard op mijn plaats gezet door Moeder Natuur.
Ik laat het maar gewoon weer over aan het legertje van spermacellen, die in mijn verbeelding als ijverige soldaatjes met kleine helmpjes op rondrennen en steeds “Roger” naar elkaar roepen in hun walkie-talkies. Veel gezelliger. Dat zie ik die klinische witte teststaafjes nog niet doen!

Met één been op de roze wolk

Ik heb het gevoel dat iedereen het aan me kan zien, zo erg ben ik aan het stralen. Het liefste wil ik iedereen op straat aanspreken. “Meneer, ik ben zwanger, leuk he?”, “Mevrouw er woont een kindje in mijn buik en over 8 maanden komt het eruit”. De zwerver waar ik mijn straatkrantje koop feliciteert me uitbundig als ik het vertel, en blijft de komende dagen vragen naar de kleine. Per ongeluk vertel ik het grote nieuws aan iedereen, ik kan het gewoonweg niet voor me houden.

Max moet eerst wat wennen aan het idee. De streepjes op de test zijn te vaag naar zijn smaak. “Ik zie het streepje niet. Ik krijg een onzichtbaar kind, ik wil een kind dat ik kan zien!” jammert hij. Maar naarmate de dagen vorderen en de tekenen in mijn lichaam duidelijker worden, begint hij het ook te geloven.

Trots stap ik Prenatal binnen. Uit bijgeloof mocht ik dat niet van mezelf voordat ik zwanger was, maar nu dan eindelijk. Positiekleding waag ik me nog niet aan, maar lezen kan natuurlijk altijd. Met een stapel boeken kom ik bij de kassa. “Is het een cadeautje?” vraagt de cassière. “Nee,” zeg ik trots, “voor mezelf!”. Ze werpt een blik op mijn buik “O ja, ik kan het inderdaad al een beetje zien.” Hmmmm, da’s bedenkelijk. Ik weet wel dat dat wasbord verdwenen is, maar om me nou gelijk voor hoogzwanger uit te maken gaat me ook wat ver. Doet me denken aan die vriendin die haar buik maar niet kwijtraakte na de bevalling van een tweeling. Als mensen vroegen hoe ver ze was zei ze steevast “vier maanden”, helaas was de reactie dan vaak “nou, dan is het zeker een tweeling, je bent al zó dik.” Niet echt bemoedigend.

De volgende stap is de speelgoedwinkel. Ik kan me inhouden en weet buiten te komen met slechts een piepklein tijgertje met een melancholische blik. Thuis test ik hem gelijk op mijn buurmeisje, die hem kraaiend van enthousiasme probeert te wurgen en hem vervolgens grondig inkwijlt. Ik denk dat het een succesvolle knuffel wordt.

Op maandagavond komt mijn schoonmoeder eten. Max schenkt de glazen wijn (voor mij appelsap) vast in om straks plechtig het grote nieuws te kunnen vertellen. Ik moet van de zenuwen weer eens plassen. En daar slaat de paniek toe: bloed in mijn slipje! Dit kan toch niet waar zijn! Ik besluit het te negeren, maar als daarna de glazen geheven worden en mijn schoonmoeder me met tranen in haar ogen omhelst ben ik wat timide. Het is mis, dat weet ik eigenlijk nu al zeker. Ook al duurt het nog ruim een zenuwslopende week voordat de test weer negatief uitslaat en mijn lijf zich heeft ontzwangerd, ik ben nu al met een harde klap van die roze wolk afgedonderd.
Het tijgertje verdwijnt voorlopig in een la.

Streepjes

Hoera, ik ben misselijk! Spuugmisselijk. Ik hang de hele dag boven de w.c. Normaal mijn grootste nachtmerrie, maar nu voel ik me heel bijzonder. Het komt vast doordat er een kindje in mijn buik zit. Ik weet het zeker.

Op d-day ren ik gelijk de stad in om een zwangerschaptest te kopen. Mijn tocht naar de drogist moet ik drie keer onderbreken omdat ik opeens het gevoel heb dat ik ter plekke ongesteld ben geworden. Dan storm ik de dichtsbijzijnde kledingszaak in, ruk een willekeurig kledingstuk van het rek en stoom door naar de kleedkamer om te checken. Steeds vals alarm. Maar omdat ik me verplicht voel de willekeurige kledingstukken ook te passen, verdoe ik aardig wat tijd met het uitproberen van een tuttig jurkje maat 46, een komt. Winnie the Pooh t-shirt maat 164, en een donkerblauw mantelpak dat tot mijn enkels.

Thuis plas ik met trillende handen over het staafje heen. En over mijn handen, maar dat geeft voor een keer niet. Misselijk van spanning kijk ik naar het venstertje. Het blijft wit. Of toch? Als ik het nou onder een bepaalde hoek hou, en dan eerst heel intensief naar dat controlestreepje staar, dan zie ik op de testplek toch ook een heel vaag streepje? Maar eerlijk is eerlijk, als op de verpakking had gestaan dat een knalgele giraf zou verschijnen bij zwangerschap, dan had ik met veel licht en wat goede wil die knalgele giraf ook gezien. De rode druppels bloed twee dagen later komen dan ook niet geheel onverwacht, hoewel ik wel vreselijk teneergeslagen ben.

Max is in de contramine. Hij heeft zitten lezen op ouders.nl en is geschokt door onze wetenschappelijke benadering van zwanger worden. “Bij mijn zoon hebben we er vier jaar over gedaan om zwanger te worden” zegt hij verbaasd, als ik diep teleurgesteld tampons ga kopen. “ja, en daarom pak ik het wat beter aan” denk ik bij mezelf, maar dat valt vast niet goed. Max wil niet klussen, Max wil vrijen. En Max wil al helemáál niet weten hoe het met mijn cervix-slijm gesteld is en wat de ovulatietesten uitwijzen. Zelfs als ik –geïnspireerd door de zomeraanbieding van Karwei- hem een zomerkluspas aanbied, kan er alleen een beleefd lachje af.

Daarom verberg ik maar dat ik druk in de weer ben met ovulatietesten. De eerste dagen ben ik wanhopig: wéér geen streepjes. Het maakt niet uit wat voor test ik neem, ik kan geen streepjes maken. Ik heb een ziekte, die leidt tot streepjesloosheid. Maar op dag 13 komt er gelukkig een dikke vette. Mijn chatvriendinnen feliciteren me er zelfs mee.

En dan breekt het lange wachten weer aan. Dit keer ben ik voorbereid op het testgeweld, en heb een goedkope set aangeschaft via internet. Hoewel ik inmiddels weet dat mijn cyclus waarschijnlijk 30 dagen duurt, begin ik op dag 28 stiekem al te testen, onder het motto “zo’n test weet toch ook niet dat ik stiekem te vroeg test?” Het wordt inmiddels al vertrouwd, om op de w.c. te zitten met een staafje in mijn hand.
Zie ik nou een streepje, of staat het er niet? Wat is dat rotding toch onduidelijk. Nu ik toch al aan het zondigen ben geslagen, plas ik van frustratie dan ook maar over die ene dure test die ik nog over had van vorige maand. Ik word al reuze handig in het plassen over staafjes, en ook in het inbeelden van streepjes want binnen een minuut zie ik er alweer eentje. En behoorlijk duidelijk ook. Trots op mijn eigen voorstellingsvermogen leg ik het staafje weg, maar net als ik de badkamer uit wil lopen begint het me te dagen. Langzaam draai ik me om en pak de test weer op. En terwijl buiten de zon vreselijk hard schijnt, en in de tienerkamer naast me 2Pac zijn gangsterrap stampt, sta ik opeens in een kleine oase van stil besef. Twee streepjes. Ik ben zwanger.

woensdag, januari 25, 2006

Op de conceptie na zwanger

In het tl-verlichte restaurant op Kos zit een teer jongetje van een jaar of drie zich stilletjes te vervelen in een groep volwassenen. Terwijl het het restaurant rondkijk op zoek naar een ober valt mijn blik op hem en ik knipoog bemoedigend naar hem. Ik word beloond met de allerbreedste glimlach die ik ooit op zo’n klein hoofdje heb gezien. Blozend van vertedering draai ik me om naar Max, die alles stilletjes glimlachend heeft gadegeslagen. “En beweer je nog steeds dat je nog niet bezig bent met een kind willen?” Ik start mijn standaard mantra. Mijn carrière, het geld, het studeerkamertje dat we echt nodig hebben, mijn gezondheid, maar ik voel zelf ook wel dat het overtuiging mist. Max kijkt me meewarig lachend aan. “Op de conceptie na ben je al zwanger, heb je dat dan niet door?”. Hij heeft wel gelijk. In de laatste maanden heeft mijn lijf zich getransformeerd. De jonge-meisjes mode van H&M met heupbroeken en naveltruitjes is niet meer voor mij bestemd. Mijn eerste vetrol, waar ik ooit nog zo trots op was, heeft zich ontwikkeld tot een buik die lijkt te roepen “kijk, hier past heus wel een kindje in hoor”. Mijn heupen zijn breder geworden, alsof ze willen zeggen “wie zei dat hier geen klein mensje doorheen kon?” En mijn borsten hebben nog net geen bordje met “joehoe, melk hier!”, maar het scheelt weinig. Mijn lijf wil zwanger worden. En als ik diep in mijn hart kijk, wil ik dat zelf ook wel. Heel graag. Ik wil niets liever.

Nu het besluit eenmaal is gevallen loop ik op wolken. Met vlinders in mijn buik haal ik een potje foliumzuur bij de drogist, en slik elke ochtend plechtig een tabletje. Ik werk aan de gezondheid van mijn toekomstige kindje, denk ik trots. Ik maak me soms ook zorgen. Wat als ik nou een kind krijg met zo’n lelijke oerhollanse kaaskop, zoals dat kindje van de overburen. Of zo’n irritant betwetertje. Mag je hem dan alsnog wegdoen, of zit je er mee opgescheept? Of eentje zonder gevoel voor humor, of een hele domme, of een saaie die alleen maar de hele dag over Pokémon wil praten? Nou ja, dan maken we er nog eentje, besluit ik. Gewoon net zo lang tot we er eentje hebben die bevalt, met een boeiende intelligente conversatie, en die ook nog prachtig piano kan spelen.
Dus dat is dan ook weer opgelost.

Ik sluit me aan bij alle nieuwsgroepen op internet over zwanger worden. Ik heb een dagtaak aan het verversen van de pagina’s om te kijken of er weer iets nieuws is geschreven. Het maakt het allemaal zo echt. In het begin denk ik dat ik nooit aan die termen zal kunnen wennen. ‘ben je al ongi?’ vragen we aan elkaar. Ongi! Tuttiger kan toch niet? Maar na twee weken informeer ik ook al vrolijk hoe het met de Rode Monsters is. Ach, het went. Mijn beste vriendin en ik mailen al heen en weer naar elkaar dat opoe op bezoek is en dat de rode vlag buitenhangt, ik hou me graag aanbevolen voor andere Vreselijke Eufimismen voor de Menstruatie, ik hou ergens een bestand bij voor dat soort uidrukkingen.

Maar goed, aan de slag. Er is nog tijd genoeg om mooie tuttige woorden te leren en te wennen aan de klank. Ik oefen vast op ‘tepelkloven’ en ‘borstvoedingsstuwing’, maar eerst aan het werk. Donderdag moeten we de cyclus benutten, zaterdag moeten we samenleven, en de maandag daarop wordt het oefenen. Ik denk dat ik vanavond maar eens opteer voor een potje lekkere ouderwetste seks. Zo eentje waarvan dat ramen gaan schudden, alle buren wakker worden en ik mijn kleren de volgende dag een blok verder terugvind. En dan schrijf ik vervolgens in de nieuwsgroepen heel nuffig ‘we hebben geklust’. Want wat ik in mijn vrije tijd met mijn man uitspook gaat jullie lekker helemaal niks aan.